| VAKTERM |
VERKLARING |
Aziatische peer,
appelpeer, (Nashi)

|
Pyrus pyrifolia (synoniem
Pyrus serotina) Appelpeer, meloenpeer,
waterpeer en Aziatische zandpeer (Nashi).
Een appelvormige peer, welke in smaak en vastheid meer op
meloenen lijkt dan op peren. Vooral geschikt voor fruitsla-schotels.
Lees
meer over appelperen - Pyrus pyrifolia |
Basisras
|
Meestal wordt een basisras (vb. 'Jonagold') niet meer aangeraden om aan
te planten. De beter gekleurde mutanten 'Jonagold' -Novajo ('NOVAJO', 'Jonagored'
(MORREN'S JONAGORED) raadt men wel aan te planten. Een
basisras is het oorspronkelijke ras. |
Bestuiving
|
Het overbrengen van
stuifmeelkorrels naar de stempel van een bloem. Dit kan op
natuurlijke wijze gebeuren door de zwaartekracht, door de wind, door insecten, of op kunstmatige wijze met de hand
zoals bij de
Asimina triloba
- Pawpaw. |
Beurtjaargevoelig
|
Fruitrassen die slechts om de
twee jaar rijkelijk vruchten dragen, noemt men
beurtjaargevoelig. De tussenjaren met geen of weinig productie
zijn de beurtjaren. Een draagjaar is het tegengestelde van een
beurtjaar. Beurtjaargevoelige perenrassen zijn o.a. 'Doyenné
du Comice' en 'Beurré Hardy'. Deze twee sterkgroeiende rassen
zijn hierdoor niet aan te raden als bestuiver voor andere
perenrassen. Ook de winterappels & keukenappels 'Schone van
Boskoop' en 'Rode Boskoop' zijn door hun vroege bloei erg
gevoelig voor beurtjaren en een misoogst. |
Bevruchting
|
In principe de
samensmelting van een kern van een stuifmeelkorrel (mannelijk)
met het onontwikkelde zaad of de zaadknop (vrouwelijk). Dit
leidt tot de vorming van een zaad. |
Bewaarras
|
Winterras. Een fruitras
welke heel gemakkelijk en lang te bewaren is. Bewaarrassen bij
appel zijn Malus 'Jonagold', 'Schone van Boskoop'.
Goede of tamelijk goede bewaarrassen bij
peren zijn o.a. Pyrus 'Conference', 'Concorde', 'Saint Rémy'
en 'Comtesse
de Paris', .. |
Boom
(fruitboom)
|
Een grote plant met een
houtige stengel, met een onvertakt stamstuk of hoofdstam onder
de vertakte kruin. |
Chromosomen
|
Zeer kleine lichaampjes,
ook wel kernlissen genoemd, in de kern van plantencellen. Ze
dragen de erfelijke eigenschappen. |
Cultivar
|
Een afkorting van
cultuurvariëteit (ook wel aangegeven als cv.). Dit zijn
planten die uit een soort, variëteit of kruising zijn
ontstaan of geselecteerd en die op vegetatieve wijze wordt
vermeerderd, hetgeen inhoudt dat de genetische eigenschappen
van de plant behouden blijven. |
Cultuurvariëteit
|
Zie cultivar |
CV.
|
Zie cultivar. Aanduiding
door ze tussen enkele haakjes te schrijven. Enkele voorbeelden
van cv's of cultivars: 'Conference', 'Concorde', 'Elstar',
'Jonagold', 'Discovery', ... |
Diploid
(aantal chromosomen)
|
Een term voor een plant
waarvan de cellen het normale aantal chromosomen bezitten.
Elke cel bezit in dat geval van overeenkomstige chromosomen
twee exemplaren, waarvan er een van de vaderplant en een van
de moederplant afkomstig is. Diploïde rassen hebben meestal goed stuifmeel.
De meeste appelrassen zijn diploïd en hebben dus goed stuifmeel.
(Er zijn ook enkele triploïde appelrassen met slecht stuifmeel). |
Geregistreerd merk
|
Volgens de wetgeving in
een aantal landen mag aan een product een merk worden
toegevoegd. Een merk is een onderscheidingsteken. Het
onderscheidt producten van het ene bedrijf, van die van een
ander bedrijf. Een merk en merknaam is geen middel om de inhoud
(kwaliteit) te beoordelen. |
Hardheid
|
De stevigheid van een
bepaalde vrucht. De laatste jaren streeft men naar zo stevig
(hard) mogelijke vruchten. Harde vruchten hebben minder te
leiden van het transport. Het uitstalleven blijft meestal ook
beter. Zeer harde vruchten zijn o.a. Malus 'Braeburn'
en Malus 'Mariri Red' (Rode Braeburn-mutant). |
Herfstrassen
|
Fruitrassen met een
beperkte koelhuisbewaring, bijv. bewaarbaar tot eind december.
Bijvoorbeeld Pyrus 'Beurré Hardy' en 'Charneux' (syn. Légipont').
Zonder speciale koelcellen zijn de perenrassen 'Conference', 'Concorde',
'Durondeau' en 'Doyenné du Comice' maar enkele maanden
bewaarbaar; het zijn dan herfstrassen. |
Hybride
|
Kruising. Een plant
verkregen door kruising van bijvoorbeeld twee verschillende
variëteiten, ondersoorten, soorten of, bij uitzondering,
geslachten. Zulke planten kunnen in hun eigenschappen het
midden houden tussen de ouderplanten. |
Kruisbestuiving
|
Bestuiving door een ander
fruitras. Een ander ras levert stuifmeel voor de bevruchting. Dit
zorgt bijna altijd voor een vergroting van de vruchtbaarheid. |
Kruising
|
Hybride. Een plant
verkregen door kruising van bijvoorbeeld twee verschillende
variëteiten, ondersoorten, soorten of, bij uitzondering,
geslachten. Zulke planten kunnen in hun eigenschappen het
midden houden tussen de ouderplanten. |
Merknamen
|
Volgens de wetgeving in
een aantal landen mag aan een product een merk worden
toegevoegd. Een merk is een onderscheidingsteken. Het
onderscheidt producten van het ene bedrijf, van die van een
ander bedrijf. Een merk is geen middel om de inhoud
(kwaliteit) te beoordelen. |
Mutant
|
Een spontaan optredende
wijziging in de erfelijke samenstelling van de plant, tot
uiting komend in takken met in vorm of kleur afwijkende
bladeren, bloemen of vruchten. Dergelijke takken kunnen door
stekken of enten worden vermeerderd. |
Nabloei
(2de bloei)
|
Bloemen welke veel later
verschijnen dan de eerste bloemen aan een boom. Bij peren (Pyrus
communis) kan
de hoofdbloei bijvoorbeeld rond half april zijn. Bij sommige
perenrassen kunnen er in de maand mei, juni en juli nog een
klein aantal (ongewenste) bloemen bij komen. |
Nomenclatuur
|
Wetenschappelijke
naamgeving, in dit geval van de houtige gewassen. |
Parthenocarpie
|
De vorming van vruchten
uit het vruchtbeginsel zonder voorafgaandelijke bevruchting.
Parthenocarpie komt o.a. bij Pyrus communis 'Conference' en 'Saint Rémy' voor. |
Ras, rasnamen,
cv
|
Rasnamen of cultivars
(cultuurvariëteiten, cv's) zijn variëteiten, ontstaan in
cultuur, door selectie of kruising. Rasnamen mogen normaal
niet uit Latijnse woorden bestaan. Ze zijn meestal in een
internationale taal (Engels, ..) |
Resistente rassen
|
Rassen of fruitrassen die weerstand
bieden aan ziekten en/ of plagen. De laatste tijd gebruikt men
liever de term "tolerante rassen". Een lichte
aantasting is sommige jaren mogelijk.
Zie ook overzicht van ziekten en plagen op fruitsoorten. |
Stoofpeer,
keukenpeer

|
Perenrassen welke bijna
niet geschikt zijn als eetpeer. (Hard, steencellen, …)
Meestal zijn ze goed te bewaren. Ze zijn bijzonder geschikt om
in de keuken te verwerken. (Na koken vallen ze niet uit elkaar
tot moes) Enkele stoofperen: Pyrus communis 'Saint Rémy', 'Gieser Wildeman' (Meer
info zie perenrassen) |
Synoniem
|
Het komt voor dat er twee
of meer namen voor een ras worden gebruikt. (vb. Malus 'Schone van
Boskoop', 'Goudrenet', 'Goudreinette'). Volgens internationale
afspraken is de eerstgegeven naam (na 1753) de enige juiste,
in dit geval 'Schone van Boskoop'. |
Taxonomie
|
De systematische indeling
van het planten- en dierenrijk in orden, suborden, families,
geslachten en soorten, alsmede de (wetenschappelijke) benaming
van deze groepen .
Zie ook taxonomische
indeling fruitgewassen |
Teeltwijze
|
De techniek waarmee de
planten/ bomen worden vermeerderd. (Veredelen/
enten) In een bredere context
slaat het tevens op de wijze waarop de planten, na de
vermeerdering op de kwekerij verder worden geteeld tot
verhandelbaar materiaal. |
Tetraploid
|
Term voor een plant,
waarvan de cellen tweemaal het normale aantal chromosomen
bezitten. Zulke planten zijn vaak in alle delen groter, maar
bloeien als regel later en zijn minder vruchtbaar. |
Tolerant aan
bepaalde ziekten
|
Rassen/ fruitrassen die min of meer
weerstand bieden aan ziekten en/ of plagen. De laatste tijd
gebruikt men liever de term "tolerante rassen" dan
"resistente rassen". Een lichte aantasting is
sommige jaren mogelijk. |
Triploid
(aantal chromosomen)
|
Een plant met drie
stellen chromosomen. Triploïden ontstaan gewoonlijk door
kruising van planten met het normale aantal chromosomen en die
met het dubbele aantal; ze zijn vaak geheel of gedeeltelijk
steriel. Slecht stuifmeel en dus slechte bestuivers!
Appelrassen met slecht stuifmeel zijn o.a. 'Jonagold', 'Schone
van Boskoop', 'Rode Boskoop' en 'Jacques Lebel'.
Een perenras met slecht stuifmeel is o.a. 'Saint Remy' |
Tweehuizigheid (plant)
|
Op de plant zitten alleen
vrouwelijke bloemen (stamperbloemen) óf alleen mannelijke
bloemen (meeldraadbloemen). Actinidia
deliciosa (kiwi) is meestal tweehuizig. |
Tweeslachtigheid (bloemen)
|
De bloemen bevatten zowel
stampers als meeldraden en zijn dus zowel mannelijk als
vrouwelijk. De
kiwibes 'Issai' is tweeslachtig en kan zonder bestuiver
vruchtjes geven. |
Uitstalleven
|
De tijd dat een bepaalde
vrucht in de winkel mooi en lekker blijft. Bepaalde
appelrassen (vb. Malus 'Granny Smith' en Malus 'Pinova') hebben een zeer lang
uitstalleven. Andere appelrassen (vb. 'Oogstappel' en 'Lena') hebben een
zeer kort uitstalleven. |
Variëteit, var.
|
Afgekort var. Groepen van
planten die op een of meerdere eigenschappen afwijken van de
soort en waarvan de eigenschappen in stand blijven bij
vermeerdering uit zaad. |
Wetenschappelijke
naam
|
Wetenschappelijke
naamgeving (of Botanische naam) van planten. Veelal in het
Grieks of Latijn. Soms ook in andere talen (Duits, Engels,
Frans, ..) Nomenclatuur is de leer of het vak die
wetenschappelijke namen bestudeerd.
Meer info
over nomenclatuur en de betekenis van botanische plantennamen. |
Winterrassen,
bewaarrassen
|
Fruitrassen met een lange
koelhuisbewaring, bijv. tot eind mei - juni - juli. In
speciale koelhuizen of koelcellen zijn 'Conference', 'Concorde',
'Durondeau' en 'Doyenné du Comice' vele maanden te bewaren.
Perenrassen op een natuurlijke manier (zonder koelcel) lang
bewaren zijn o.a. 'Saint-Rémy' en 'Comtesse de Paris'. |
Winterstek,
houtstek
|
Stekken kan in een groot
deel van het jaar gebeuren. Worden stekken met blad genomen,
dan spreekt men van zomerstek. Kiest men echter stekken zonder
bladeren, dan noemt men die winterstek. Slechts een beperkt
aantal gewassen is via winterstek te vermeerderen.
Meer
informatie over het stekken. |
Zelfbestuiving
|
Zelffertiel. De
bestuiving waarbij geen vreemd stuifmeel nodig is voor de
bevruchting. |
Zelf-fertiel
|
Zelf-vruchtbaar.
Aanduiding voor een plant, speciaal een vruchtboom, die geen
kruisbestuiving (bestuiving door een ander ras) nodig heeft om
vruchten en zaden te vormen. |
Zelfsteriel
|
Fruitrassen welke hun eigen
bloemen en andere appelrassen niet kunnen bestuiven. Vaak zijn deze rassen ook triploïd. Appelrassen welke zelfsteriel zijn : Malus 'Schone van
Boskoop', 'Mutsu', 'Jo.. (Appelbestuiving
info) |
Zomerrassen
|
Fruitrassen die direct van de
boom verbruikt worden zonder koelhuisbewaring. Zomerrassen bij
appel: Malus 'Sunrise', 'Discovery', 'Lena', 'Delcorf', 'Vista Bella', 'Summerred', 'James Grieve'.
(Zie tabel met rasoverzicht appel) |