Houtwal.be --> Fruit ABC-encyclopedie --> Oude tomatenrassen --> Van gouden liefdesappel tot tomaat (Lycopersicon esculentum)


Met toestemming van de auteur (Willy Van Hoof) mag dit tomatenverhaal hier gepubliceerd worden.

Verhalen uit de groenteteeltsector: Van gouden liefdesappel tot tomaat

Publicatie augustus 2007

Heb je opmerkingen of vragen neem dan contact op met de auteur (Willy Van Hoof) via zijn website of via 't Grom - Groentemuseum (Sint-Katelijne-Waver, omgeving Mechelen). In Willy's rubriek "groentevragen" wordt ongeveer om de maand een ander item behandeld.

Lycopersicon esculentum (syn. Solanum lycopersicum)- tomaat

Familie: Solanaceae - nachtschadigenfamilie

De tomaat heeft een lange weg afgelegd voor ze als een van de belangrijkste groente in onze keuken en op ons bord kwam. Pas rond de eeuwwisseling van de 19de en 20ste eeuw kregen we in ons land de eerste smaak ervan te pakken maar het duurde nog decennia eer gans Europa overtuigd was van de “nieuwe” groente. De naam van de vrucht, tomaat, was ook niet zomaar ingeburgerd. Dodoens (1517 / 1518 – 1585) noemt de tomaat in 1554 onder verscheidene Latijnse namen ‘ Poma amoris ‘, ‘ Pomum amoris ‘ en ‘ Pomum aureum ‘ . In onze taal hield hij het bij ‘ Gulden Appelen ‘ of ‘ liefdesappel ‘. In andere talen werd hij ‘ Golt opffel ‘ (Duits) of ‘ Pomes d’amours ‘ (Frans) genoemd. Dodoens beschrijft dat de plant drie tot vier voeten hoog groeit, dat is ongeveer 0.80 m tot 1.10 m groot. De plant leverde bij zijn weten in twee kleuren vruchten : rode en wit-gele. De bloemen groeiden met vijf tot zes bij mekaar, op één steeltje. De vorm van de vruchten omschrijft hij als ‘ […] groote ronde platachtighe gheribde appelen […]’. Hij kende de plant uit eigen ervaring wanneer hij schrijft ‘ […]Dit heel cruyt met stelen ende bladeren es van eenen stercken stinckenden seer selsamen stanck […] ’. Hij kent ook de groeiwijze, als hij aangeeft ‘ […] moet alle jaren van saet ghewonnen worden ghelijck die Concommeren […] ‘. De teelt is vrij laat in het jaar want hij voorziet de bloei pas in de juli en augustus, wat er op wijst dat de plant na de winter werd gezaaid. Dat is ook nog logisch voor die tijdsperode dat men nog niet (geen?) glasbedekking gebruikte om planten te " forceren".

In het midden van de 16de eeuw wist men nog niet welke de geneeskundige kracht van de “ gouden appel “ was. Dodoens zag wel dat de tomatenplant fel leek op de Mandragora (Mandragora officinarum en Mandragora autumnalis - beide alruinsoorten), een plant die tot dezelfde familie als de tomaat, de nachtschadigen, behoort. En men wist dat alruin een geneeskrachtige waarde had maar ook giftig was. Een andere nachtschadige die men goed kende als geneesmiddel was de wolfskers (Atropa bella-donna). Deze plant is zowat de giftigste ter wereld en dus werd de tomaat - als verwante aan de twee vorige - gevreesd omdat hij een (zeer) giftige plant zou kunnen zijn.
(Afb.)
In de Dodoensuitgave van 1616 noemt hij de tomaat voor het eerst ook ‘ Aurea Mala ‘. In het Nederlands blijft hij de plant - tot in zijn laatste postume uitgave van 1664 - steeds ‘ Gouden - Appelen ‘ noemen. In 1664 zegt hij uitdrukkelijk dat de ‘ Aurea mala ‘ of ‘ Gouden – Appelen ‘ niet diegene zijn die door de poëten worden beschreven. Hij verwijst hier naar de Griekse mythologie van Heracles en de Hersperiden (zie verder: De gouden appelen van de Hesperiden ). Uiteraard konden deze planten niet de zelfde zijn: de oudheid kende geen tomaten want ze zijn pas in de 16de eeuw van Zuid-Amerika naar Europa overgekomen. Waarom gaf men hem dan de naam van ‘ Gouden – Appel ‘ ? Vergeleek men deze vrucht of plant in gedachte misschien toch met deze van de Hesperiden? Maar er waren verschillen tussen de tomaat en de vruchten van de vermeende Hesperiden: zo groeide deze uit de Griekse sage aan een boom en de tomaat is duidelijk een struik. En niet alle tomaten hadden een gele (gouden!)vrucht. Was het dan misschien louter de vorm van de vrucht die deed denken aan de appelen van de Hesperiden? Maar wat dan te zeggen van de cirtusvruchten ( appelsienen, limoenen ) die ook uitheems waren en niet van Amerika kwamen en die zelfs de naam van 'Hesperides’ meekregen ? Een logische reden om de tomaat als gouden appel te omschrijven zou kunnen zijn dat de tomaat uit het land vol goud (Amerika) kwam. maar in Italië, waar nog steeds gele tomaten worden gegeten, noemt men deze nog steeds ‘ pomodoro ‘. De Griekse sage is Europa nog niet uit !


In het Italiaans wordt de tomaat in de Dodoensuitgave van 1644 ook ‘ Pomum Indium ‘ ( ‘appel van Indiën ’ = “appel van Indianen” = “appel van Amerika”) genoemd. Bij ons weten is het in deze publicatie ook dat voor de eerste maal de 'gouden appel' ook 'Tumatle'werd genoemd, naar de oorsponkelijke naam ervan in Zuid-Amerika en die " rood water " zou betekenen. Petrus Nyland schreef in 1676 over de tomaat dat ‘ De vruchten staen seer cierlijck / waer over datse de naem hebben / van Appel der Liefde.’ Hier geldt blijkbaar enkel dat het uiterlijke " mooi " als reden voldoende was om de tomaat de naam van “appel der liefde” toe te kennen. Iets anders is dat ook andere planten 'liefdesappel' werden genoemd. Verschillende vruchten die men in de 16de, 17de eeuw kende, zoals deze van de mandragora, kregen ook de naam toebedeeld. Het was dus niet alleen de tomaat die deze eer te beurt viel.

Lobelius (1538 -1616 ), een andere grote kruidenkundige uit onze toenmalige gebieden, vermeldt in zijn werk dat het zaad van onze tomaat uit de 16de, 17de eeuw uit Spanje werden ingevoerd. Deze zaden geven echter een andere soort planten dan deze van Dodoens. Hij vermeldt dat ze slechts één ‘cubitis ‘ hoog groeien ( dit zou ca. 40 cm zijn) terwijl deze van Dodoens drie tot vier voeten hoog groeiden. De ‘appelen‘ van Lobelius zijn ook rood, geel tot witachtig, soms zijn ze gegroefd van vorm, soms hebben ze een ronde vorm. In Italië meende men dat de zaden werden ingevoerd vanuit een eiland van West - Indië (wordt bedoeld: West-Amerika). Italië en Spanje zouden in de beginfase dus (deels?) verschillende soorten tomaten hebben gekweekt ? Lobelius twijfelt trouwens ook of het de tomatenplant dezelfde is als deze die Dioscorides (1ste eeuw na Ch.) als ‘ Gele Heul ‘ (Glaucium flavum / gele hoornpapaver) vermeld. Uiteraard heeft hij gelijk. Zoals hoger aangehaald, groeiden ze toen niet in Europa.

Alhoewel de ‘appel’ in Italië al (relatief ?) veel werd gegeten ten tijde van Lobelius - zo schrijft hij toch - was men in de rest van Europa nog niet aan een maaltijd met tomaten toe. Dodoens blijft in zijn postuum en bijgewerkt werk 1664 nog steeds vermelden : ‘Den stercken stinckenden reuck van dese Gulden-Appelen geeft ghenoegh te kennen / hoe onghesondt ende quade datse gheten zijn […]. In zijn publicatie van 1554 wordt van de tomatenplant vermeld dat hij enkel in de hoven van kruidenliefhebbers wordt geplant en in zijn werk van 1644 is deze toestand nog maar een heel klein beetje veranderd: de tomaat wordt nog steeds in de tuinen van kruidenliefhebbers aangepland – en dus niet in de ‘hoven” zoals hij anders zou vermeld hebben wanneer de plant algemeen wordt gegeten. Maar er wordt ook reeds melding gemaakt van enige consumptie : ‘Sommighe eten de selve Gulde - Appelen met Peper / Olie ende Soudt / gaer ghemaeckt zijnde‘. Naar het einde van de 17de eeuw schijnt de smaak al aan enkele gekend /geliefd te zijn.

De voedingswaarde van de tomaat is beperkt, meende Dodoens. Hij schrijft : ‘ […] ende tot de ghesondtheyd gheensins streckende'. Dat groenten een aantal noodzakelijke vitamienen en anti-oxidantia bevatten, was toen nog niet bekend. Voor hen telde enkel de "energiewaarde", de hoeveelheid kracht die een mens er kon uit putten om hard te kunnen werken. Tarwe - en dergeljke - waren voor hen voedzame planten.

Noord-Europa was ook in de 18de eeuw nog niet klaar om tomaten te eten. Het zou nog duren tot in de 19e eeuw eer de tomaat bij ons langzaam als groente opgang maakte. In 1810 vermeldde Nicolas Appert de sterilisatie van tomaten in glas. Sinds 1830 verschenen er tomaten op de Parijse markt en van daar uit werden ze ook naar Brussel gevoerd. In 1848 lukte een Vilvoordse tuinder er in om tomaten te kweken volgens het Parijse procédé (volledig of deels onder glas?). In 1865 werden ze in ons land als 'vrij algemeen' bestempeld . In 1880 waren er zelfs meer dan een dozijn verschillende rassen in België bekend. Als dit laatste juist is dan bleef het Mechelse - als opkomende groentestreek – lichtjes achterwege. Eén van de eerste die te Mechelen tomaten kweekte, was Johannes Goovaerts. Hij stond met zijn kraam in 1885 regelmatig in de groentehal te Mechelen. Op de markt bood hij in het seizoen vier tot vijf kilogram serretomaten aan. Er waren nog een tiental andere telers van tomaten voor 1900 in en rond Mechelen. Zo was te Onze-Lieve-Vrouw W zeker aver Felix Brouwers actief, te Duffel was Louis Sels een voorloper en te Sint-Katelijne-Waver kunnen we families Van den Eynde en Slagmolen noteren.

De eerste tomaten die in het Mechelse werden gekweekt, kwamen van onder glas. Pas nadien volgden vollegrondtomaten. Die werden in het begin van de jaren 1970 door de serretomaten (opnieuw en) volledig verdrongen.



Nota uit de tekst:

De gouden appelen van de Hesperiden :
De Griekse God Heracles ( bij de Romeinen : Hercules), zoon van Zeus, was een van de grootste helden van de Griekse mythologie. Heracles moest twaalf werken uitvoeren. Hij reisde aldus naar het grenzen van de wereld, waar hij de gouden appels van de Hersperiden ( ‘ avondmeisjes ‘ of ‘ dochters van de avond‘) zou vinden. De Hesperiden woonden in een tuin, waar ze te samen met een honderdjarige draak de gouden appels, die aan een boom groeiden, bewaarden. Toen Heracles de tuin na veel avonturen kon bereiken, vroeg hij de hulp van Atlas die de hemelgewelf droeg. Atlas wou helpen maar dat kon hij alleen als Heracles het hemelgewelf even op zijn schouders overnam. Zo gebeurde. Atlas haalde de gouden appelen van de boom maar wou dan het hemelgewelf niet opnieuw overnemen. Vervolgens deed hij het dan weer wel en zo kon Heracles de gouden appelen naar zijn opdrachtgever brengen. Deze gouden appelen van de Hesperiden hebben uiteraard niets te maken met de naam ‘ Gouden – Appelen ‘ die men in de 16de eeuw aan de tomaat toekende.


De oorspronkelijke teksten voorzien van voetnoten, kunnen worden opgevraagd bij de auteur en zijn ook gedeponeerd bij 't GROM (groentemuseum) te Sint-Katelijne-Waver (Provincie Antwerpen, omgeving Mechelen)

______

Vorige teksten:
Tekst - mei 2007 : Over spraakverwarring tussen cichorei, suikerij, witlo(o)f, capucijnenbaard, andijvie, pissenlit, pisbloem, molsla en paardebloem.
Tekst - juni 2007 / 1: Over spraakverwarring tussen selder, eppe, 'Jouffrouw merck' en lavas
Tekst Extra - juni 2007 / 2: Alfons Van den Eynde ( ° Sint-Katelijne-Waver, 02.09.1919 - + Idem, 14.05.2007)
Tekst - juli 2007 / 1 : De eerste Mechelse groentemarkt aan de Botermarkt (1871)
Tekst Extra - juli 2007 / 2 : De bornput (grondwaterput)

Auteur: Willy Van Hoof: https://sites.google.com/site/groentekennis/  Contact: vanhoof.willyATtelenet.be (Vervang AT door @)
't Grom: Groentemuseum: www.tgrom.be

- - - - -

Nawoord (Guy De Kinder- www.houtwal.be ) :
Dank aan dhr Willy Van Hoof, dat ik de toestemming kreeg zijn artikel hier te publiceren!

Index - home