Verklaring van een aantal moeilijke/ speciale vakbegrippen i.v.m. tuinieren en tuinbouw. O.a. bodem, bodembacterien, bodembedekker, bodembestanddelen, bodembewerking, bodemgidsplanten, bodemherbicide, bodeminsecten, bodemkaart, bodemkartering, bodemkunde, pedologie, bodemkundige dienst, bodemleven, bodemleven, bodemlucht, bodemmateriaal, bodemmijten, bodemmijten, bodemmoeheid, bodemnematoden, bodemaaltje, bodemonderzoek, bodemontsmetting, bodemprofiel, bodemsamenstelling, bodemsanering, bodemschimmels, bodemstructuur, bodemtype, bodemverbetering, bodemverdichting, bodemverontreiniging, bodemvervuiling, bodemverwarming, bodemverzouting, bodemverzuring, bodemvruchtbaarheid, bodemwarmte, bodemwater, bodemwijzer, boerentuin, bol, broedbol, bolknol, bolajuin, bolbodem, bolgewas, bolhuid, bolmaat, bolrok, bolschijf, bolster, bolvorm, bolvormig, bonsai, bont, bontbladig, boog, boognervig, boom, boomband, boombescherming, boomchirug, boomgaard, boomgrens, boomgroep, boomhaag, boomkast, boomkorf, boomkruin, boomkwekerij, boomkwekerijgewas, boompaal, boompap, boomschaar, boomschijf, boomspiegel, boomstam, boomteelt, boomtype, boomvorm, boorder, boordplanten, bordeausche pap, border, borstel, bos, bebossing, bosklimaat, boslijn, bosmaaier, bosperceel, bosplantsoen, bosplanten, bosrand, bosrandplantsoen, bosschade, bossen, bossige groei, bossterfte, bostuin, bosweide, botanica, botanical nomenclatuurcode, botanicals, botanicus, botanische naam, botanische plantensoorten, botanische rozen, parkrozen, botanische tekens, botrytis cinerea, bottel, botulisme, bouché-thomas, bouwafval, bouwlaag, bouwvoor, bovengreep, bovengreep, bovengronds, bovenlaag, bovenlaagverversing, bovenlip, bovenoog, bovenstandig
TERM
|
SYN | VERKLARING1 |
Bodem |
Grond | De grond waarin de planten worden gekweekt. |
Bodembacteriën
|
Bodemmicroben | Men onderscheidt nuttige en ziekteverwekkende soorten. De
ziekteverwekkende soorten tasten de gewassen aan vanuit de bodem (wortel-
en stamrot) |
Bodembedekkers
|
Planten, die gebruikt worden om de grond te bedekken, vaak
tussen grote planten zoals bomen en struiken. |
|
Bodembestanddelen
|
De mineralogische samenstelling van een bodem hangt af van
de aard van het moedermateriaal en van de verweringsgraad van dit laatste. |
|
Bodembewerking
|
De grond klaarmaken voor een beplanting. |
|
Bodemgidsplanten
|
Bodemgidsplanten zijn planten die door hun voorkomen op een
bepaalde plaats de eigenschappen van de bodem (zuurtegraad enz.) aangeven. |
|
Bodemherbicide
|
Systemisch kruidenbestrijdingsmiddel dat door de wortels
wordt opgenomen. |
|
Bodeminsecten
|
Larven van insecten zoals emelten (grijze maden),
aardrupsen, ritnaalden (koperwormen), koolvliegen e.d. Zij tasten de
planten aan van uit de bodem. |
|
Bodemkaart
|
Kaart van de samenstelling van de bodem in een bepaald
gebied. |
|
Bodemkartering
|
Het in kaart brengen van de bodem. |
|
Bodemkunde |
Pedologie, grondsoortenstudie | De studie van de grondsoorten, pedologie |
Bodemkundige Dienst van Belgie
|
Een dienst waar de grond wordt ontleed en een aangepast
bemestingsadvies wordt gegeven. Het adres is: W. de Croylaan 48 te B-3001 Heverlee. |
|
Bodemleven
|
Alle dieren die in de grond leven, zoals wormen, larven,
bacteriën en aaltjes. |
|
Bodemlucht
|
Lucht in de grond. |
|
Bodemmateriaal
|
Materiaal waaruit de bodem is opgebouwd. |
|
Bodemmijten
|
Bodemspinnen | Mijtensoorten die leven van dode organische stof, van
schimmels en strooisel, zeldzamer van levende groene planten. |
Bodemmoeheid
|
Een geheel van omstandigheden waarbij de teelt van gewassen
oneconomisch wordt. |
|
Bodemnematoden |
bodemaaltjes |
Men bedoelt hiermee cyste-, wortelknobbel-, wortellesie-, en vrijlevende wortelnematoden die de wortels van diverse planten aantasten. |
Bodemonderzoek
|
Via bodemonderzoek kan een beoordeling gemaakt worden van de
bodemkwaliteit. |
|
Bodemontsmetting
|
Of grondontsmetting. Een techniek om m.b.v. chemische
verbindingen of door stomen schadelijk bevonden organismen in de bodem te
bestrijden. |
|
Bodemprofiel
|
De verticale doorsnede van de grond. Te beoordelen met door een profielput te maken. | |
Bodemsamenstelling
|
Materiaal waaruit een bodem is gevormd en hun onderlinge
verhouding (fracties of procenten). Eventueel tevens hun
korrelgrootteverdeling. |
|
Bodemsanering
|
Het reinigen van een verontreinigde bodem noemt men
bodemsanering. |
|
Bodemschimmels
|
Men onderscheidt nuttige en ziekteverwekkende soorten. |
|
Bodemstructuur
|
Wijze waarop een bodem is opgebouwd. (Bijvoorbeeld mate van
gelaagdheid.) |
|
Bodemtype
|
De basiseenheid van de bodemclassificatie geeft men aan met
bodemtype. Een bodemtype bevat die grondsoorten die ongeveer dezelfde
opbouw en landbouwkundige waarde hebben. |
|
Bodemverbetering
|
De grond meer voedsel of een betere structuur geven, zodat
de planten beter groeien. |
|
Bodemverdichting
|
Dichtslaan van de grond. Is zeer nadelig voor de bodem en de
daarin en daarop levende planten- en dierenwereld. |
|
Bodemverontreiniging
|
Bodemverontreiniging kan zich aan het oppervlak van de bodem
voordoen, maar ook in diepere bodemlagen komt het voor. |
|
Bodemvervuiling
|
Ze wordt veroorzaakt door verschillende factoren, met name
door de luchtvervuiling, de watervervuiling en ook door oude
milieuverontreinigingen en afvalbergen. |
|
Bodemverwarming
|
Het verwarmen van de bodem met verwarmingsbuizen of
elektrische kabels. |
|
Bodemverzouting
|
Meststoffen met ballaststoffen als chloriden en sulfaten en
gietwater met een hoog zoutgehalte, brengen veel zouten in de bodem. |
|
Bodemverzuring
|
Onder bodemverzuring wordt een continu proces verstaan,
waarbij de hoeveelheid waterstofionen (H+-ionen) in de bodem toeneemt.
Hierdoor daalt de pH-waarde in de bodem. |
|
Bodemvruchtbaarheid
|
De bodemvruchtbaarheid is een indicatie voor de geschiktheid
voor de groei van planten, waaronder houtige gewassen. |
|
Bodemwarmte
|
Van onderaf toegevoerde warmte; gewoonlijk d.m.v.
verwarmingspijpen, een laag broeimest of elektrische verwarmingskabels. |
|
Bodemwater
|
Water in de grond boven de grondwaterspiegel. Water tussen
de deeltjes van de bodem. |
|
Bodemwijzer
|
Bodemindicator, indicatorplanten | Bodemwijzers zijn planten die de bodemgesteldheid aangeven. |
Boerentuin
|
Een regelmatige ingedeelde tuin met in rechte lijnen
geordende perken, die door hoofd- en zijpaden worden ontsloten |
|
Bol (zijbolletjes)
|
Heel kleine bolletjes die zich onder de grond aan sommige
bollen ontwikkelen. |
|
Bol, (broedbolletje)
|
Kleine, ondergrondse bol, die zich naast de hoofdbol
ontwikkeld. |
|
Bol, bollen
|
Een meestal ondergronds orgaan waarin reservevoedsel is
opgeslagen en dat bestaat uit een afgeplatte stengel (de bolschijf) waarop
bladachtige delen staan ingeplant. |
|
Bol-knol
|
Ondergrondse stam, die ogenschijnlijk op een bol lijkt, maar
die meer dan één loot draagt. |
|
bolajuin
|
Ajuin die wordt geoogst terwijl de bladeren (pijpen) nog
mooi groen zijn. Verkocht in busseltjes van 3 stuks. |
|
Bolbodem
|
De harde schijf aan de basis van een knol, die de schubben
bijeenhoudt en waaruit de wortels groeien. |
|
Bolgewas
|
Een plant met een bol. Bijvoorbeeld Tulipa (tulp) en Allium
(ajuin, |
|
Bolhuid
|
Het vliezige, leerachtige of vezelige omhulsel van sommige bollen, bijv. Tulipa. | |
Bolmaat
|
De omvang van de bol gemeten in centimeters. Deze maat verschilt per groep. Tulpen geven van nature grotere bollen dan bijv. sneeuwklokjes - Galanthus nivalis | |
Bolrok |
rok van een bol |
Een stevig blad van een bol. |
bolschijf
|
de stengel met zeer korte leden in een bol, waarop de
bladeren (rokken en schubben) staan ingeplant |
|
Bolster
|
Het omhulsel van het zaad. Het is een verharde of verdikte
wand, waardoor het zaad beschermd wordt. O.a. tamme kastanje - Castanea
sativa en walnoten - Juglans regia. |
|
Bolvorm |
kogelvormig |
Worden vooral gebruikt als straatbeplanting. Bolvormige
kruin. (o.a. bolacacia- Robinia) |
Bolvormig
|
Min of meer rond |
|
Bomen |
Een groep van houtig gewassen waarbij de takken ontspruiten aan een hoge stam. De meeste bomen kunnen gesnoeid worden als het blad er af is. Steenfruit (Prunus-soorten), okkernoten of walnoten (Juglans) worden gesnoeid als ze nog in het blad staan. Zie notensoorten | |
Bonsai
|
Een in Japan toegepaste methode om dwergbomen te kweken. |
|
Bont
|
Aanduiding voor bladeren of bloemen die getekend of gevlekt zijn of op
andere wijze een patroon vertonen van een contrasterende kleur. |
|
Bontbladig
|
Beschrijving voor blad dat een bepaalde tekening vertoont
door kleuring met wit, crème, roze, rood of paars. |
|
Boog
|
Een gewoonlijk vrijstaande constructie die bedoeld is om te
laten begroeien met klimplanten. De term is min of meer uitwisselbaar met
de term pergola. |
|
Boognervig
|
De voornaamste nerven ontspringen in het onderste deel van
het blad, lopen evenwijdig met de bladrand, en reiken tot over de helft
van de bladlengte. |
|
Boom
|
|
Een grote plant met een houtige stengel, met een onvertakt
stamstuk of hoofdstam onder de vertakte kruin. |
Boomband
|
Een band van rubber om een boomstam aan een paal vast te
maken, zodat de boom goed hergroeit, niet omwaait of scheef groeit. |
|
Boombescherming
|
Aanbrengen van middelen ter bescherming van bomen tegen
vraat van in het wild voorkomende dieren of vee. |
|
Boomchirurg
|
Een bomendeskundige die zieke of in slechte staat verkerende
bomen probeert te redden. |
|
Boomchirurgie
|
Heelkunst toegepast op bomen. Iemand die bomen tracht te
genezen. |
|
Boomgaard
|
Met fruitbomen beplantte oppervlakte. Grote groep
fruitbomen. (Meestal hoogstam) |
|
Boomgrens
|
Denkbeeldige lijn, waar de boomgroei ophoudt, zowel ten
aanzien van de breedtegraad als van de berghoogte. |
|
Boomgroep
|
Een partij bij elkaar staande bomen. |
|
Boomhaag
|
Dit is een haag bestaande uit hogere en in rijen geformeerde
bomen, meestal eiken, elzen, essen of linden. |
|
Boomkast
|
Nestkast | Nestkast voor vogels die aan een boom is opgehangen. |
Boomkorf
|
Rond een jonge boom aangebrachte ondersteuning om hem bij de
groei te begeleiden of geplaatst als afweermethode om vraatschade door vee
te voorkomen. |
|
Boomkruin
|
De kruin, het bovenste vertakte deel van een boom. |
|
Boomkwekerij
(FR: pépinière) |
Plaats waar men jonge bomen/ struiken vermeerderd en
tijdelijk uitplant. Een bedrijf voor de teelt van bomen en heesters. |
|
Boomkwekerijgewassen.
|
Alles wat op een boomkwekerij wordt geteeld. (Vooral bomen en heesters) | |
Boompaal
|
|
Een houten paal die een jonge boom steunt, zodat de boom
goed hergroeit, niet omwaait, noch scheef groeit. Een boompaal wordt
meestal behandeld tegen het rotten. |
Boompap
|
Kleverige stof waarmee een deel van de stam van een boom
wordt ingesmeerd. |
|
Boomschaar
|
Snoeigerei dat meestal 2 - 3 m lang is; geschikt voor takken
tot 2,5 cm dik die anders buiten bereik zouden zijn; |
|
Boomschijf |
boomspiegel |
Rond de stam van een boom alle vegetatie verwijderen. Soms de vorm van een cirkel. |
Boomspiegel
|
Ruimte rondom de voet van de boomstam. Deze moet als regel
niet beplant worden. |
|
Boomstam
|
De verticale hoofdtak van een boom die de wortels met de
kroon verbindt en die bij de meeste bomen de voornaamste ondersteuning
vormt voor het bladerdak. |
|
boomteelt
|
De teelt en vermeerdering van bomen. (Bos-, laan- en
fruitbomen) |
|
Boomtypen
|
Voor intensieve fruitbeplantingen wordt gesproken over 3
boomtypen, afhankelijk van de diameter van de boomkroon: snoeren,
superspillen en slanke spillen. |
|
Boomvormen
|
Enkele mogelijkheden: asymmetrische tweejarige boom,
balkvorm, driehoeksvorm, knipboom, kolomboom, Noord-Hollandse spil,
piramidale vorm, slanke spil |
|
Boorder
|
Een schadeverwekker die gaten boort in de stam.
(Appelglasvlinder, houtkever, ..) |
|
Boordplanten
|
Boordplanten worden gebruikt om grote percelen te verdelen
in perken of andersom: verschillende kleine perken kunnen door
boordbeplanting tot 1 geheel worden samengevoegd. |
|
Bordeausche pap |
bordolese pap |
Een schimmelwerkend middel (fungicide) dat o.a. kopersulfaat en kalk bevat. |
Border |
Afgebakend plantbed. |
Oorspronkelijk: randbed. Nu: afgebakend plantbed van elke
vorm, gebruikt voor het kweken van siergewassen. |
borstel
|
Begroeiing van een plantendeel (blad, stengel, vrucht, …)
dat dikker en stugger is dan een haar, maar dunnen en slapper dan een
doorn of stekel. |
|
bos (bundel, bussel)
|
Een bussel (groep) van bomen of producten. Een handvol
bloemen of groente. Bijvoorbeeld een bos wortels. |
|
Bos, Bebossing (bomen)
|
Terrein met bomen beplanten, meestal met het doel hout te
oogsten, soms om beschutting te verlenen, vocht vast te houden of
bodemerosie tegen te gaan. Een groep bomen. |
|
Bosklimaat
|
Hieronder wordt het onder de speciale omstandigheden van het
bos heersende klimaat verstaan. |
|
Boslijn
|
De verschillende handelingen op een bedrijf om bloemen bij
elkaar te binden. |
|
Bosmaaier
|
Een grasmaaier voor een ruig terrein. |
|
Bosperceel
|
Een stuk grond beplant met bomen en struiken. (Meestal
inheemse gewassen) |
|
Bosplantsoen |
bosplanten |
Bomen en struiken om in een bos te planten. |
Bosrand |
woudrand, woudzoom | De grenslijn met plantengroei tussen bos en niet met hout bedekt gebied. |
Bosrandplantsoen
|
Planten die goed groeien aan de rand van een bos.
(Halfschaduw). |
|
Bosschade
|
Hiermee wordt de schade aan een bos of aan afzonderlijke
bomen in een bos bedoeld. De schade kan zichtbaar zijn op verschillende
manieren. |
|
Bossen
|
Bloemen of groente bij elkaar binden. (Busselen) |
|
Bossige groeiwijze
|
Een plant met een compacte groeiwijze (vb. roos) |
|
Bossterfte
|
Met bossterfte wordt het afsterven van grotere delen bos in
verschillende regio's bedoeld. |
|
Bostuin
|
Een tuin die onder (meestal bladverliezende) bomen is
aangelegd in de halfschaduw of soms zelfs diepe schaduw. |
|
Bosweide
|
Een bosweide is een landschap waar breedkruinige bomen in
groepjes bij elkaar staan. Vroeger dreef men het vee in bossen om eten te
zoeken en zo ontstonden open plekken. |
|
Botanica
|
Plantkunde |
|
Botanical nomenclatuurcode
|
Internationale richtlijnen voor correcte naamgeving van
wilde planten. De botanische code ('International Code of Botanical
Nomenclature') regelt deze naamgeving. |
|
Botanicals (gewasbescherming)
|
Extracten gehaald uit natuurlijke producten, welke kunnen
gebruikt worden voor de biologische gewasbescherming. |
|
Botanicus
|
Een botanicus is een plantkundige, iemand die veel van
planten afweet of planten bestudeert. |
|
Botanische naam
|
Geslacht- en soortnaam. |
|
Botanische plantensoorten
|
Planten die in hun natuurlijk midden zaden vormen. Ze
komen in de vrije natuur voor. |
|
Botanische rozen |
parkrozen |
Botanische rozen zijn wilde soorten (niet-veredeld, niet-geënt),
die winterhard zijn en als bloemheester, sierheester behandeld worden. |
Botanische tekens
|
In de tuinbouw en in de plantkunde gebruikt men
gedefinieerde symbolen en tekens voor bloemvorm, levensduur, groeivorm,
verzorgingseisen, giftigheid en bruikbaarheid. |
|
Botrytis cinerea |
Grijsrot, smeul(t) | Een veel voorkomende schimmel. O.a. bij aardbeien, trosbessen, braambessen en frambozen. Een goed uitdunnende snoei brengt meer licht en lucht in het gewas, waardoor er schimmeluitbreiding voorkomen wordt. |
Bottel, bottels
|
De vlezige holle vrucht van een roos. (Rosa) |
|
Botulisme
|
Clostridium botulinum is een gevaarlijke bacterie,
vertegenwoordiger van het geslacht Clostridia. Het gaat om sporenvormende,
anaërobe gram-positieve bacteriën. |
|
Bouché-Thomas-platte boomvorm
|
Een platte boomvorm bij appel; zo diep geplant, dat de ent
eigen wortel gaat vormen. Het 2de kenmerk is dat de takken van naast
elkaar staande bomen aan elkaar worden geënt. |
|
Bouwafval
|
De resten van bouwmateriaal, zoals stukken steen en beton. |
|
Bouwlaag
|
Bestaat uit kiezelaarde/ zand, klei, kalk, humus en
voedingselementen. |
|
Bouwvoor
|
De bovenste, veel bewerkte en vaak met humeus materiaal
verrijkte laag van de grond. De grondlaag waar de wortels van de planten
in groeien. De bovenste 25 cm. |
|
Bovengreep
|
Een bepaalde houding/ manier waarop je gereedschap
vasthoudt. |
|
Bovengronds
|
Wat boven de grond groeit; het bovengrondse deel van de
plant. |
|
Bovenlaag
|
De bovenste laag grond. |
|
Bovenlaagverversing
|
De bovenlaag van potplanten vernieuwen zonder ompotting. |
|
Bovenlip
|
Lip van een tweelippige kroon of kelk, naar boven gericht. |
|
Bovenoog
|
Deze knop (oog) is naar boven gericht. |
|
Bovenstandig
|
|
Een vruchtbeginsel dat geen geheel vormt met de bloembodem,
meestal van boven af in de bloem zichtbaar. |
Bronnen
- Literatuur - foto's |