Verklaring van een aantal moeilijke/ speciale vakbegrippen i.v.m. tuinieren en tuinbouw.
| TERM | SYN | VERKLARING1 |
Braakgrond |
Braakland | Landbouwgrond die niet
in gebruik is; braakliggende landbouwgrond. Braakland noemt men akkeroppervlakten die
één of meerdere jaren niet gebruikt worden om de grond te laten
herstellen. |
Braam
|
Een kleine beschadiging
aan metalen (ijzeren) gereedschap. Het komt door het slijpen of stoten op een ander
hard voorwerp. |
|
Braamstruik |
braambes | Een doornige struik, vooral langs bosranden in het wild voorkomend, waaraan de braambessen groeien. Rubus fruticosus. Zie rubriek Rubus: snoeien van braambessen en frambozen |
Bractee |
schutblad |
Schutblad, een omgevormd
blad onder een bloem |
| Braam, braambes | Vruchten/ bessen van de braambessenstruik (Rubus fruticosus). Gemakkelijk houtig kleinfruit om te leiden langs een draad of schutting. Bramen groeien goed op vochtige gronden. Meer brameninformatie: snoei, rassen, planten en ziekten. | |
Brandhaar
|
Een haar, bestaande uit
één grote, knotsvormige cel, die gevuld is met een giftige vloeistof. |
|
Brandnetelblad
|
Een virusziekte, vooral
bij zwarte bessen, die onvruchtbaarheid en bladmisvorming veroorzaakt. |
|
Breedkapper
|
Een kas met een hogere en
bredere kap dan 3,20 meter van de Venlokas. Bijvoorbeeld 6,40 meter, 9,60
meter of 12,80 meter. |
|
Breedwerpig zaaien
|
Het gelijkmatig verdelen
over het zaaibed (dus niet op rijen). Het zaad in wijde bogen uitstrooien. |
|
Broedbolletje |
klister |
Een kleine, onvolgroeide bol, vaak gevormd aan de basis van volgroeide bollen of aan de stengels boven de grond, zoals bij sommige soorten Lilium (Lelie). Zie lijst bloembollen en knollen |
Broedknop
|
Zich in de bladoksel
ontwikkelende knop waaruit een nieuwe plant kan ontstaan. (o.a. bij
lelies) |
|
Broeibak
|
Een constructie waarin
een voldoende vochtige atmosfeer en warmte heersen om zaailingen en stek
zich goed te laten ontwikkelen en bewortelen. |
|
Broeibed
|
Warmteontwikkelende hoop
stalmest (paardenmest) bedekt met teelaarde. |
|
Broeien
|
Gewassen (kasteelten)
door warmte sneller laten groeien. (Zie ook bij broeivoor!) |
|
Broeikas
|
Een broeikas is een
meestal platte bak waar planten in voorgetrokken worden (broeien) om later
uitgeplant te worden. |
|
Broeikaseffect (milieu)
|
Een bijkomende
opwarming van het lagere deel van de atmosfeer en het aardoppervlak,
doordat sommige gassen in de atmosfeer de invallende zonnestraling
doorlaten |
|
Broeikaseffect (serre)
|
Kortgolvig licht kan door
het glas heen. Het langgolvig licht (vb. infrarood) kan er bijna niet
doorheen. |
|
Broeistoof
|
Verwarmd bakje waarin men kan zaaien of stekken. | |
Broeivoor
|
Een voor of put waarin veel
natgemaakt stro wordt gedaan, samen met ammoniaknitraat. De vertering
zorgt voor een verhoogd CO2 -gehalte en de nodige bodemwarmte. |
|
Broek van de boom
|
Deze zit binnenin en
onderin de boom. Er is geen rechtstreekse zonlichtpenetratie
(zonlicht-doordringing) mogelijk. |
|
Broekbos
|
Dit is een bos op een
vochtige bodem die laag gelegen is. Broekbossen liggen meestal in de
uiterwaarden. De meest voorkomende plantensoorten zijn Els, Wilg en Es |
|
Broektwijgen |
broekscheuten. |
Deze twijgen of scheuten
ontstaan in de broek van de boom. |
Broes |
broeskop |
Onderdeel van een gieter.
Het uiteinde van een gieter of tuinslang, met veel kleine gaatjes. |
Broezen
|
Het met een broes /
broeskop nat maken van planten, kasvloeren e.d. Een broes is een op een
waterslang of gieter te plaatsen hulpstuk dat fijne gaatjes heeft. |
|
Bronskleurige druiven
|
Soms kleuren de druiven
minder goed; ze hebben bij rijpheid een kleur tussen roze en groen i.p.v.
donkerblauw. De druiven zijn dan brons gebleven. |