gebrekverschijnsel, chlorose
|
Het verkleuren van de bladeren
t.g.v. een tekort aan voedingsstoffen. (Geel of rood). O.a. druiven
zijn erg gevoelig voor een tekort aan magnesium, mangaan of ijzer.
Zie bladchlorose bij druiven en
zie ook weblinks plantenziekten |
Gecoat zaad
|
Zaden die met een dunne laag
pesticide zijn omhuld. Het is een filmpje welke rond het zaad zit.
Zaad dat helemaal bedekt is met een stof tegen bodemziekten.
Groentezaden voor tuinders worden dikwijls gecoat, zodat de
kiemplanten niet aangetast worden. |
Geconcentreerde meststof
|
Een (scheikundige) meststof met veel
voedingsstoffen. |
Geënte grond
|
Grond, die organismen bevat,
welke voorkomen op de oorspronkelijke (natuurlijke) groeiplaats. |
Geëtioleerd (geëtioleerd)
|
Term voor het abnormaal lang,
dun en bleek zijn van planten, dat wordt veroorzaakt door gebrek aan
licht. Geëtioleerde plantendelen kunnen geen chlorofyl/ bladgroen
aanmaken omdat er geen licht aanwezig is. Bij de teelt van bepaalde
groenten zoals witloof (Cichorium intybus) en asperges (Asparagus
officinalis) maakt men gebruik van het etioleren. |
Gefileerd, langgerokken plant
|
Lange, weke, slappe plant. Door
onvoldoende licht of door een te dichte plantafstand. |
gehard
|
in staat de koude te verdragen.
In de kas opgekweekte planten worden afgehard voor ze in openlucht
worden geplant. |
Geknot
|
De boom wordt met regelmatige
tussenpozen tot op een bepaalde hoogte teruggesnoeid. Hij blijft
hierdoor dunne takken vormen. Typische knotbomen zijn Alnus (els),
Salix (wilg), Fraxinus (es), Het knotten kan gebeuren van januari tot
maart. Geënte bomen kunnen beter in maart-april geknot worden. |
geladderd
|
Benaming voor merg, dat op een
aantal horizontale stukjes na verdwenen is. O.a. Gewone walnoot/
okkernoot (Juglans
regia) heeft geladderd merg. Walnoten zijn moeilijk te enten.
Zie
ook notenindex |
Geleidingsvermogen
|
De aanwezigheid van bodemzouten
wordt aangetoond met de bepaling van het geleidingsvermogen. |
Gelobd
|
Bladinsnijdingen, die niet tot
het midden van de zijnerven reiken. |
Gemengde knoppen
|
Bevatten bloemen en bladeren.
Gemengde knoppen worden bij pitfruit meestal foutief bloemknoppen
genoemd. Gemengde knoppen komen voor bij appel, peer, kweepeer en
mispel. |
Genealogie
|
Leer van de ontwikkeling en
verwantschap van geslachten (families), geslachtsrekenkunde. |
Genenbron
|
Genen zijn de dragers van de
erfelijke eigenschappen in de celkern; |
Genenmanipulatie
|
Genetische manipulatie. Een
techniek waarbij de genen van een chromosoom in een ander organisme
worden overgebracht. |
Generatief, geslachtelijk
|
Heeft te maken met het
mannelijk of vrouwelijk geslacht. Ook geslachtelijk. Bijvoorbeeld
generatieve/ geslachtelijke vermeerdering. Zie rubriek
zaaien van planten. |
Generatieve groei
|
De aanleg van bloemknoppen. Bij
fruitbomen en aardbeien worden de bloemknoppen in de maanden
augustus-september aangelegd. |
Generatieve vermeerdering
|
Vermeerdering d.m.v. zaaien
(hogere planten) of door sporen (varens en schimmels). Ook
geslachtelijke vermeerdering genoemd.
Zie weblinks plantenvermeerdering |
Genotype
|
Inwendige en uitwendige
erfelijke eigenschappen van een individu. |
Genus, geslachtsnaam
|
Geslacht. De eerste naam in een
wetenschappelijke naam. 1, Een eenheid in het plantenrijk, bestaande
uit een groep van verwante soorten. Zie ook "ABC
van het plantenlatijn" |
geophyten
|
Bol - , knol- en
wortelstokgewassen. |
Gepild zaad, gepilleerd zaad
|
Pillenzaad. Zaden die omhuld
werden. Meestal met een diameter van 3-3,5 mm. In de omhullingen
kunnen insecticiden en fungiciden zitten. Groentezaden voor tuinders
worden dikwijls ook gepilleerd verkocht en zijn veel gemakkelijker
machinaal uit te zaaien. |
geregistreerd merk
|
Tegen betaling zijn deze merken
tijdelijk (10/ 20 jaar) beschermd/ geregistreerd. |
geslacht of genus
|
Een groep verwante soorten met
veel gemeenschappelijke kenmerken, zoals Iris. Voor de betekenis van
geslachtsnamen: zie "ABC
van het plantenlatijn. Betekenis van botanische namen". |
Geslachtshybride
|
Een hybride, verkregen door het
kruisen van planten behorende tot twee verschillende geslachten.
Aanduiding met een X voor de eerste naam. (o.a. X Cupressocyparis) |
Gesloten kas
|
Planten houdt men gesloten
wanneer ze worden gekweekt in een met glas of plastic afgesloten
ruimte, waar een hoge R.V. heerst. |
Gesloten systeem
|
Een manier van telen waarbij
geen water en voedingsstoffen in grachten/ riolering worden geloosd.
Het water wordt opgevangen en steeds opnieuw gebruikt. |
Gespecialiseerd bedrijf
|
Een bedrijf dat slechts één
gewas teelt. (Vb. enkel tomatenteelt) |
Gesteltakken of draagtakken
|
Dit zijn zware takken die
blijvend op de harttak staan. Ze zijn echter dunner dan de harttak.
In zeer moderne aanplantingen hebben de appelbomen géén
gesteltakken meer. Men heeft er enkel vruchttakken die af en toe
vervangen kunnen worden. (Jaar 2001).
Zie fruitlinks |
Getand
|
Term voor een bladrand die
stompe instulpingen en spitse uitstulpingen heeft, zoals Ilex. |
Geveerd
|
Aanduiding voor een blad, dat
verdeeld is in verscheidene paren tegenover elkaar staande blaadjes.
Fraxinus (es) heeft geveerde bladeren. |
Gevleugelde vruchten
|
Vruchten die voorzien zijn van
één of meerdere lijsten of vlezige of bladachtige aanhangsels.
Zie biologielinks |
Gevoeligheid
|
Het vermogen van een ras om op
een parasiet, virus of abiotische factor met ziekteverschijnselen te
reageren. |
Gevuldbloemig, gevulde bloem
|
Dubbel of halfdubbel. Bloemen
met een abnormaal groot aantal kroonbladeren worden gevuldbloemig,
dubbel of halfdubbel genoemd. |
Gewasbescherming
|
Behandeling met pesticiden om
de planten (gewassen) gezond te maken of houden. Een aantal
fruitrassen zijn ziektetolerant en hoeven geen extra behandelingen te
krijgen. Voor meer info zie
Groente &
Fruit Encyclopedie en
weblinks plantenziekten |
Gewasstadium, groeistadium
|
De groeifase of jeugdfase van het gewas. Als
het gewas in zijn laatste groeistadium is, is hij volwassen.
Gezaaide fruitsoorten hebben 4 -10 jaar een sterke jeugdgroei en
geven pas nadien bloemen en vruchten.
Zie
ook fruitvermeerdering |
Gewasverzorging
|
Zorgen dat het gewas groeit
zoals men wil. Bijvoorbeeld door te steunen en te toppen. |
Gewone stek
|
Winterstek (zonder bladeren)
die boven en onder een oog wordt geknipt. Meestal gebruikt voor
sierheesters en bessenstruiken die gemakkelijk wortelen. O.a.
aalbessen (Ribes rubrum, Ribes nigrum).
Zie weblinks vermeerdering
en
zie rubriek stekken van planten |
Gezaagd
|
Als de tanden van een zaag.
Wordt gezegd van een bladrand met scherpe in- en uitstulpingen. O.a.
bij tamme kastanje (Castanea sativa). Zie ook
weblinks biologie en
determinatieschema's |