Betekenis/defenitie tuintaal - tuinbouwtermen (vakjargon):"la"
|
| Laagstam | Meestal zal men deze bomen op een hoogte van 5 tot 10 cm boven de grond veredelen. Zie rubriek plantenvermeerderen |
| Laagveen | Een grondsoort ontstaan achter de duinen. Zie ook veengrond. |
| Lagere planten | Planten die geen bloemen kunnen vormen. Zij planten zich voort met sporen of door celdeling. |
| Lagere zwammen. | Hieronder verstaat men meestal de zwammen die microscopisch klein zijn. |
| Lange snoei | Je snoeit veel selectiever en beperkter. De verlengenis wordt niet ingeknipt. Afgedragen hout wordt helemaal verwijderd. Zie snoei fruit ABC |
| Langedag planten, L.D. | Bloemaanleg bij meer dan 12-14 uur licht. (Een plant die bloeit bij meer dan 14 u licht per dag) |
| Langloten | Uit krachtige eindogen ontstane loten met een steeds toenemende lengtegroei. Men onderscheidt hierin: o.a. normale langloten of gewone houttwijgen. |
| Langzaam werkende mest | Een meststof die over een langere periode langzaam de werkende bestanddelen afgeeft. Ook traagwerkende meststoffen genoemd. Deze spoelen niet uit en kunnen 3 tot 5 maand werkzaam zijn. |
| Lapspruiten | Een pas gesneden oculatie waaruit met het hout gaat pellen, vooraleer op de onderstam te plaatsen. |
| Larve, larf | Het jeugdstadium van bepaalde insectenfamilies. Worden meestal rupsen of maden genoemd. Een onvolwassen insect. |
| Larvicide, larvedodend middel | Pesticide om larven van insecten te doden. |
| late val | term in de fruitteelt: het vallen van de bloemknoppen |
| Latente ogen (druiventeelt) | Deze knoppen/ ogen lopen slechts uit tijdens het jaar volgend op de vorming ervan. Ze groeien uit tot de vruchttakken. |
| Latente periode (schimmelsporen) | De tijd die verstrijkt tussen kieming van een spore en het vrijkomen van nieuwe sporen. |
| Latente rust | Zaden en knoppen van inheemse planten zijn tijdens de winterperiode in zgn. latente toestand. Men kan de latente toestand kunstmatig verlengen door bijvoorbeeld het bewaren van witloofwortelen en aardbeiplanten in een koelcel. |
| Lateraal, zijstandig | Groeiwijze waarbij knoppen en loten aan de zijkant van een stengel ontspruiten. |
| Laterale twijgen.
|
Deze twijgen zijn ontstaan uit een zijdelingse vertakking |
| Latijnse naam, Botanische naam | Wetenschappelijke naam van planten. Bestaat meestal uit 2 (4) delen: geslachtsnaam, soortnaam, variëteit en rasnaam (cv). Boekentip "ABC van het plantenlatijn. Betekenis van botanische plantennamen." Weblink: Zie rubriek nomenclatuur |
| LD50 | Dosis in mg per kg lichaamsgewicht waarbij 50% van de proefdieren sterven (rast acuut oraal.) |
Nuttige weblinks:
Tuinkrantenforum:
tuin- en plantenvragen
Blauwbessen, koningin der bessen
Groente
& Fruit Encyclopedie
Plantenvermeerdering
Plantennomenclatuur
Planten interactief
Fruitlinks
Auteur: G. De Kinder - www.houtwal.be
|
|